Home Ontstaan Bijzonderheden Fotoalbum Stichting Wilt u helpen? Contact
 

Ontstaan van de begraafplaats

Baarhuisje Naar aanleiding van het Koninklijk Besluit van 18 mei 1825, dat nog langer begraven binnen de bebouwde kom en in kerken verbood, gaven Provinciale Staten van Noord-Holland in 1827 de gemeente Naarden de opdracht "een geschikt kerkhof buiten de stad aan te leggen".
Het gemeentebestuur speelde in eerste instantie het probleem door naar de kerkvoogdij van de Nederlands Hervormde gemeente als zijnde de direct betrokkene. Ondanks de bezwaren van de kerk dat de begraafplaats bij een eventueel beleg van de stad onbereikbaar zou zijn, werd de datum waarop de begraafplaats klaar moest zijn, vastgesteld op 1 mei 1830.

Voor ƒ 560,- werd een bosperceel aangekocht ter grootte van 1 bunder en 67 roeden, ongeveer 1.5 hectare.
Het perceel was gelegen op de Bussumse Eng aan de toenmalige straatweg van Naarden naar Laren (Amersfoortse-straatweg). Het stuk grond lag op hoge zandgrond op ruim 1300 meter buiten de vesting. Daarmee lag de beoogde begraafplaats buiten de gordel van 300 roeden (1130 meter) die nodig was om een goed schootsveld vanaf de vesting te kunnen hebben. Dit zogenaamde glacis diende volgens de zogeheten kringenwet vrij te blijven van permanente bebouwing. Men stond alleen houten bebouwing binnen het schootsveld toe. Om deze reden moest de gemeente zoeken naar een geschikt perceel op ruimere afstand dan wellicht wenselijk was.
Omdat de gemeente Naarden per 1 januari 1817 een deel van haar grondgebied had moeten afstaan aan de nieuwgevormde gemeente Bussum was dit geen gemakkelijke opgave. Juist op het afgestane grondgebied vond men een geschikt perceel. Men besloot ondanks het probleem van de ligging toch tot aanleg van de nieuwe begraafplaats. Om de aanleg daarvan te kunnen financieren sloot de gemeente een lening af.

Aan de doorgaande weg werd een toegangshek gebouwd, bestaande uit twee zware vierkante bakstenen pijlers met teruggemetselde hoekpunten en een rijk geprofileerde natuurstenen bekroning. Op de linker pijlerbekroning werd de naam van de stichtende gemeente aangebracht: "NAARDEN", op de rechter het stichtingsjaar: "ANNO 1830" in verheven zwart gelakte Latijnse kapitalen. De twee ijzeren vleugels van het hekwerk werden samengesteld uit rond- en platijzer. Aan de linkerzijde werd een smal ijzeren hekje voor voetgangers aangebracht.
De plaatselijke aannemer Van der Stok bouwde een baarhuisje voor de som van f 300,- maar dit huisje is waarschijnlijk later vervangen door het huidige, nog aanwezige baarhuisje. De kweker Jurrissen nam de beplanting op zich. De gemeente Naarden betaalde daar ƒ 400,- voor.

Het beschikbare terrein werd verdeeld in twee grafvelden, een voor de hervormde gemeenschap en één voor de katholieken. Hoe die velden precies gelegen hebben is tot nu toe nog niet achterhaald. Aan de kerkvoogdij van Naarden werd wegens het derven van inkomsten uit het begraven na het in gebruik nemen van de begraafplaats voortaan jaarlijks f 75,- uitgekeerd. Voor de joodse ingezetenen werd op de begraafplaats de noordwestelijke hoek gereserveerd. Zij kregen ook het recht van overpad van de ingang aan de Amersfoortsestraatweg naar hun eigen toegangshek waar op de pilaren "Bussum" - "5590" (=1830) staat.

Net als Naarden diende ook de gemeente Bussum een buitenbegraafplaats aan te leggen. De uitvoering daarvan wist de jonge gemeente echter nog jaren uit te stellen door ook gebruik te maken van de Naardense begraafplaats. Al sinds 1822 had Bussum een rooms-katholieke begraafplaats en voor de paar niet-katholieke ingezetenen werd toestemming van de Provinciale Staten en de gemeente Naarden verkregen om de nieuwe begraafplaats te gebruiken. Dit gebeurde tot 1873, het jaar waarin Bussum zelf een algemene begraafplaats kreeg. Inmiddels was in 1847 naast de algemene begraafplaats aan de Amersfoortsestraatweg op de zogenaamde Tollenkamp al een eigen begraafplaats voor de Naardense rooms-katholieken tot stand gekomen.